Stikstof: wat moet er minder, maar vooral wat moet er meer?

Er is momenteel veel gaande rond vervuiling door en vermindering van stikstof. In dit artikel komt kort aan de orde wat stikstof c.q. stikstofverbindingen zijn, wat er zo schadelijk aan is en wat ertegen te doen is door minder te doen. Ook zal worden ingegaan op iets wat minder aandacht heeft gehad, namelijk wat we ertegen kunnen doen door meer te gaan doen.

Bijna 80% van lucht bestaat uit stikstof (element N), op zichzelf geen schadelijke stof. Sterker nog, het is als voedingsstof onontbeerlijk voor mens, dier, plant en boom. Het is daarom niet voor niets dat het de belangrijkste bouwsteen van kunstmest is. Wel schadelijk zijn de stikstofverbindingen, o.a. met zuurstof (NOx), goed voor 40% van de stikstofemissies. Belangrijk in deze zijn stikstofdioxide (NO2) en nitraat (NO3). Distikstofmonoxide (N2O), ook wel lachgas genoemd komt minder voor, maar is wel meer dan 250 keer schadelijker dan CO2. Het grootste percentage van de emissies, te weten 60%, betreft de verbinding met waterstof, ammoniak (NH3), de grote boosdoener. De genoemde stikstofverbindingen zitten in de lucht, slaan neer op de grond en sijpelen door in het grond-, oppervlakte en maritiem water.

Stikstofverbindingen zijn schadelijk en vervuilend vanwege de bijdrage aan het broeikaseffect als één na grootste vervuiler na CO2 en in de lucht (o.a. smogvorming wat slecht is voor mensen met astma en longklachten). Daarnaast kan het in het drinkwater (verstoort het zuurstoftransport in het bloed), in de bodem (zorgt voor verzuring en vermesting) en in het maritiem water (stikstofverbindingen brengen te veel voeding waardoor algengroei ontstaat die andere biotopen verdringt) zitten. Een groot negatief effect is het terugdringen van de biodiversiteit, vooral in (voedselarme) natuurgebieden met zeldzame plantensoorten (door de voeding van de stikstofverbindingen komen plantensoorten zoals brandnetels opzetten en die verdringen de zeldzame oorspronkelijke plantensoorten).

Nederland is netto exporteur van stikstofverbindingen, wat betekent dat er meer wordt uitgestoten dan er neerslaat. De Nederlandse emissie per hectare is vier keer zo groot als het Europees gemiddelde (en bijna twee keer zo groot als in buurland Duitsland). Dit komt door onze dichtbevolktheid (mensen en vee) en door alle economische activiteiten in ons land. De grote vervuiler voor Nederland zijn: de landbouw met meer dan 40% van alle stikstofverbindingen en deposities, wat ook komt omdat deze sector meer dan 80% van de ammoniakuitstoot voor haar rekening neemt (vooral door de runderen en koeien). Daarna komen huishoudens met stoken op gas met 6%, en de mobiliteit met (oude) auto’s, vrachtwagens, schepen en vliegtuigen, samen ook 6%. In nog mindere mate zijn het de industrie en de energiecentrales (in totaal niet zoveel, maar per centrale wel). Meer dan 30% van de deposities betreft import van stikstofverbindingen, dus die in buitenland worden uitgestoten en in Nederland neerslaan. Het ligt voor de hand om te kijken of deze import aan te pakken is, maar vergeet dan niet wat hierboven werd genoemd, namelijk dat Nederland zelfs twee keer zoveel uitstoot dan dat er hier neerslaat, dus deze medaille heeft twee ongelijke kanten.
Sinds 1990 is de uitstoot in Nederland flink verlaagd (meer dan gehalveerd), in alle sectoren, maar vooral ook door de landbouwsector, echter, de verdere vermindering van ammoniak stagneert nu.

We kunnen de stikstofproblematiek bestrijden door veel maatregelen gericht op ‘minder’, zoals minder aantal vervuilende auto’s, minder kilometers rijden, minder hard rijden, minder vlees eten, minder vee (door vrijwillige sanering), minder kunstmest, minder eiwitten in veevoeder, minder woningen bouwen, minder fossiele brandstoffen, minder natuur (hoe gek het ook klinkt).

Maar er zijn net zoveel of zelfs meer maatregelen gericht op ‘meer’, zoals meer koeien in de wei waardoor er minder veevoer nodig is, meer afvang in stallen en gebruik van luchtwassers, meer water toevoegen aan mest voor het uitrijden op het land, meer scheiding van urine en mest door een schuine vloer of mestschuivers, meer enzymen toevoegen aan het veevoer waardoor meer stikstof in de maag wordt verwerkt, meer aanzuren van mest waarvan bijkomende effecten momenteel worden onderzocht, meer waterzuivering en recycling, meer uitstootzuinige motoren, meer elektrische voertuigen zoals auto’s en bussen, meer voertuigen op waterstof zoals schepen, meer groene energie waaronder zon, wind, rest- en geowarmte. Mooi is dat de maatregelen op het gebied van mobiliteit en groene energie juist ook bijdragen aan de reductie van CO2, die andere nog grotere boosdoener waar het broeikasgassen aangaat.


Figuur 1. Overzicht van maatregelen om stikstofverbindingen te verminderen

Veel van de maatregelen hierboven genoemd gericht op meer vergen substantiële investeringen, zoals in elektrische voertuigen en in fabrieken om die te produceren, in warmtepompen, zonnepanelen en windmolens. Op deze gebieden is financiering geen groot knelpunt meer. Er zijn namelijk overheden met subsidies, investeerders en banken die dergelijke financiering stimuleren. Bij een andere duurzame energieoplossing, te weten (rest)warmtenetten is de financiering een groter issue, vooral ook vanwege de risico’s aan de vraagkant. Het meeste zal echter geïnvesteerd moeten worden in de agrarische sector in duurzame stallen, in verduurzaming van land, in precisieapparatuur en in landbouwvoertuigen. Hier zien we dat de financiering een steeds groter issue wordt. Het boerenbedrijf wordt door deze investeringen en de stijgende grondprijzen steeds kapitaalintensiever, terwijl banken juist minder bereid zijn te financieren. Startende en opvolgende boeren hebben weinig of geen eigen geld en staan voor een enorme uitdaging. Kortom, hier is steun van de overheid, waaronder het Rijk en de provincies gewenst met subsidies, achtergestelde leningen, garanties en wellicht erfpacht van grond. Met het laatstgenoemde instrument neemt de investerings- en dus kapitaalbehoefte af, omdat het land niet meer in eigendom is van de agrariër. Ook institutionele beleggers kunnen hier een rol vervullen.

Stikstofverbindingen zijn erg schadelijk voor milieu en mens, en voor wat betreft het terugdringen hiervan is er veel mogelijk, zowel qua ‘minder’ als qua ‘meer’ doen. Echter, de landbouwsector is en blijft key in deze. Wat niet betekent dat andere sectoren achterover kunnen leunen, ook vanwege de reductie van de CO2. De financiering van deze maatregelen in de landbouwsector is een toenemend knelpunt en facilitering door de overheid is hier zeer gewenst.

Arie Willem Rozendaal
a.rozendaal@catenainvestments.com
Menu