Reactie op ‘Kamerbrief over Kabinetsvisie waterstof’

(In Dutch)

Op 30 maart jl. heeft minister Wiebes van Economische Zaken een lijvige brief (18 pagina’s) met als onderwerp ‘Kabinetsvisie waterstof’ naar de Tweede Kamer gestuurd over de stand van zaken en de plannen rond waterstof in Nederland. Hieronder volgt een samenvatting van deze brief aan de hand van de volgende indeling: wat vooraf ging, uitgangspunten, agenda en rol, beleidsagenda met vier hoofdlijnen en tijdslijn & programma. Door de lengte van de brief en de grote hoeveelheid informatie erin is deze samenvatting nog steeds best lang. Bij sommige punten wordt een persoonlijke noot gemaakt door de schrijver van deze samenvatting.

Wat vooraf ging
In een brief van 21 juni 2019 aan de Tweede Kamer onderschrijft de minister (nogmaals) de ambities rond waterstof in Noord-Nederland en meldt hij dat hij verheugd is over het draagvlak hiervoor bij overheden, bedrijven en kennisinstellingen. Hij steunt het voorstel ingediend door de regio onder het Europese onderzoeksprogramma Fuel Cells and Hydrogen Joint Undertaking. De profilering als Europees centrum voor waterstof spreekt hem aan, ook vanwege de aanwezige infrastructuur en kennis rond gas en omdat het een nieuw economisch perspectief biedt. Hij gaat voor een programmatische aanpak met steun uit de klimaatenvelop, instrumentarium zoals onder andere SDE++, en een certificatiesysteem. Verder is internationale samenwerking cruciaal en verwijst in dit kader naar een rapport van het International Energie-agentschap (IEA) dat wijst op de grote kansen voor de industrieclusters aan de Nederlandse kust. Het pleit voor beleid gericht op kostenreductie, verlagen van risico’s, internationale standaarden, wegnemen van regulering barrières en het uitwisselen van best practices. De minister sluit af met een beleidsvisie voor het najaar (2019) aan.

(Persoonlijke noot: het is goed dat de minister zo positief en ambitieus is, maar het beleid waar het IEA voor pleit, wordt een flinke uitdaging, zoals het wegnemen van reguleringsbarrières in de energiesector. Daar geeft de brief van 30 maart jl. (zie hieronder) nog niet echt concreet antwoord op.)

Wat vooraf ging
In een brief van 21 juni 2019 aan de Tweede Kamer onderschrijft de minister (nogmaals) de ambities rond waterstof in Noord-Nederland en meldt hij dat hij verheugd is over het draagvlak hiervoor bij overheden, bedrijven en kennisinstellingen. Hij steunt het voorstel ingediend door de regio onder het Europese onderzoeksprogramma Fuel Cells and Hydrogen Joint Undertaking. De profilering als Europees centrum voor waterstof spreekt hem aan, ook vanwege de aanwezige infrastructuur en kennis rond gas en omdat het een nieuw economisch perspectief biedt. Hij gaat voor een programmatische aanpak met steun uit de klimaatenvelop, instrumentarium zoals onder andere SDE++, en een certificatiesysteem. Verder is internationale samenwerking cruciaal en verwijst in dit kader naar een rapport van het International Energie-agentschap (IEA) dat wijst op de grote kansen voor de industrieclusters aan de Nederlandse kust. Het pleit voor beleid gericht op kostenreductie, verlagen van risico’s, internationale standaarden, wegnemen van regulering barrières en het uitwisselen van best practices. De minister sluit af met een beleidsvisie voor het najaar (2019) aan.

(Persoonlijke noot: het is goed dat de minister zo positief en ambitieus is, maar het beleid waar het IEA voor pleit, wordt een flinke uitdaging, zoals het wegnemen van reguleringsbarrières in de energiesector. Daar geeft de brief van 30 maart jl. (zie hieronder) nog niet echt concreet antwoord op.)

Inleiding van de Kamerbrief
De minister meldt dat CO2-vrije gassen, waaronder waterstof essentieel zijn voor een duurzaam energiesysteem dat betrouwbaar, schoon, betaalbaar, veilig, en ruimtelijk inpasbaar is. Hij wijst op de unieke uitgangspositie van Nederland alhier en de stevige ambitie voor waterstof in het Klimaatakkoord. Waterstof schept nieuwe banen, verbetert de luchtkwaliteit en is essentieel voor de energietransitie. Kernwoorden bij de realisatie van de kansen zijn: opschaling, kostenreductie en innovatie (hierover hieronder meer). We werken toe naar een gezamenlijke publieke private samenwerking die past in de recente Groeistrategie voor Nederland en met prioriteit voor de industrie. De minister wil een duidelijk signaal afgeven (door het belang van waterstof aan te geven, een beleidsagenda te presenteren en randvoorwaarden te scheppen) om zo projecten van de grond te krijgen.
Als laatste wijst de minister in zijn inleiding op de rol die import gaat spelen en dat deze brief een opmaat is naar een met stakeholders in te richten en uit te voeren waterstofprogramma.

(Persoonlijke noot: de verwijzing naar de import staat in één zin weggeschreven en blijft in de brief verder ook onderbelicht. Terwijl dit wel een wezenlijke is, omdat de capaciteit van groene (CO2 vrije) waterstof zeker een knelpunt gaat worden en gegeven de grote ambities wordt groene elektriciteit uit b.v. Zuid-Europese landen zeker noodzakelijk.)

Uitganspunten
De minister noemt een aantal uitgangspunten, te weten de systeemrol van waterstof, de internationale aanpak, de kansen voor bedrijven en regio’s en de ervaring met waterstof.
Voor wat betreft de systeemrol van waterstof in een CO2-vrije energievoorziening meldt de minister dat elektriciteit een prominente plaats gaat innemen in de energievoorziening, maar blijven biogas en CO2-vrije waterstof onontbeerlijk. Dat is om technische redenen (b.v. bij de zeer hoge temperaturen in de chemische industrie) om kostenoverwegingen (in delen van de gebouwde omgeving), omdat ze goed en langdurig op te slaan zijn, omdat ze goedkoop te transporteren zijn, omdat ze nodig zijn als pieklast, en specifiek voor waterstof geldt de bijdrage aan de betere luchtkwaliteit. De verwachting is dat gasvormige energiedragers minimaal 30 procent van het finale energieverbruik in 2050 voor hun rekening zullen nemen. Naast hernieuwbare elektriciteit en warmte zijn waterstof en groengas hard nodig. Aan groengas wordt in deze brief verder geen aandacht besteed.
Voor wat betreft de internationale aanpak meldt de minister dat opschaling en uitrol onderdeel moeten uitmaken van een (Noordwest-) Europese en zo mogelijk mondiale aanpak, en wordt hierbij gesteund door rapporten van het reeds genoemde IEA en International Renewable Energy Agency (IRENA). En wijst in dit verband op ontwikkelingen over de hele wereld (Azië, Afrika, Australië, Europa). De EU heeft waterstof als speerpunt voor de industrie benoemd.
Bij de kansen wijst de minister op het kunnen beschikken over betaalbare CO2-vrije energie als vestigingsfactor, kansen voor bedrijven en kennisinstellingen met de bijkomende werkgelegenheid, en de havens die hun hubfunctie in internationale energiestromen kunnen behouden. Ook moet de rol bij waterstof van het MKB niet worden onderschat, want er zijn nu al meer dan 250 bedrijven actief in deze sector. Als laatste uitgangspunt geldt de jarenlange ervaring (meer dan 100 jaar) met productie en gebruik van waterstof in Nederland. Ons land is na Duitsland de grootste producent van grijze waterstof (voor voornamelijk de chemische industrie) in Europa.

Agenda en rol
De minister werkt aan een beleidsagenda met als basis een toekomstbeeld van de duurzame waterstofketen en de eerste te zetten stappen. Het toekomstbeeld is dat waterstof een wereldwijd verhandelde commodity gaat worden met grootschalige export en import. Nederland krijgt grootschalige en kleinschalige elektrolysers of productie-installaties met carbon capture storage (CCS); is afvang van CO2. En vanwege haar ligging en de aanwezige infrastructuur (productie, transport en opslag) kan Nederland een hubfunctie vervullen. Ook voor doorvoerhandel voor groene energie uit zonrijke landen. Om de keten op gang te krijgen bij producenten en investeerders is er veel info nodig over toekomstige vraag, productiecapaciteit, (kost)prijzen, transporttarieven. Hier ligt (zeker in de start- en ontwikkelfase) een publieke rol, waarbij zelfs van regierol wordt gesproken. Eerst gaat het dan over opschaling van productie, daarna het transport en nog verder in de tijd bij grote productievolumes om (seizoens)opslag in bijvoorbeeld zoutcavernes. De minister benadrukt nogmaals dat Nederland aan de technologische grenzen van de opschaling moet opereren en wil dit met instrumentarium en beleidskader ondersteunen.

(Persoonlijke noot: de minister maakt uitdrukkelijk melding van CCS, wat betekent dat grijze waterstof mogelijk moet zijn. Dit is op zich logisch voor de korte termijn (gewoon te weinig groene energie), maar hij rekent het blijkbaar ook tot een duurzame waterstofketen.
Ook opmerkelijk is de regierol die de minister toedicht aan het kabinet bij het op gang brengen van de duurzame waterstofketen. Deze regierol wordt niet verder uitgewerkt en de vraag is of de later in de brief genoemde instrumenten wel echt een regierol behelzen.)

Beleidsagenda met vier hoofdlijnen
De minister komt met vier hoofdlijnen, te weten:

  1. Wet- en regelgeving
  2. Kostenreductie en opschaling groene stroom
  3. Verduurzaming eindgebruik
  4. Ondersteunend en flankerend beleid

Ad 1. Wet- en regelgeving
De minister meldt dat de waterstofketen zich zal ontwikkelen tot een netwerksector zoals gas en elektriciteit en met kenmerken van een natuurlijk monopolie. Hoog op de agenda hierbij staat onderzoek naar de inzet van het bestaande gasnet, zowel hoofdtransport als distributie. Daarnaast zal onderzoek worden gedaan naar marktordening en tijdelijke taken voor netbeheerders, met als insteek leveringszekerheid, zo laag mogelijke maatschappelijke kosten en ruimte voor de markt. Er zou sprake moeten zijn van zowel publieke als private netten. Garanties van oorsprong en certificering (in samenwerking met andere Europese landen) worden een must.
Veiligheid is ook key en hoewel waterstof niet onveiliger lijkt te zijn dan fossiele brandstoffen, zal onderzoek en monitoring worden uitgevoerd, bij voorkeur in Europees en zo nodig mondiaal verband. In Nederland is in dit kader begin 2020 in publiek-private samenwerking het vierjarige programma Waterstof Veiligheid Innovatie gestart. In het programma Energiehoofdstructuur wordt, onder andere in samenwerking met Gasunie en Tennet gekeken naar locaties voor elektrolysers, in de nabijheid van gasinfrastructuur en met ruimte en capaciteit van elektriciteitsinfrastructuur.

(Persoonlijke noot: interessant is dat, net zoals bij warmtelevering de minister ook hier spreekt van kenmerken van een natuurlijk monopolie. Voor wat betreft het transport (en de distributie) is dat wellicht het geval, maar in andere schakels van de waterstofketen waaronder opwek en productie hoeft en zal dat zeker niet het geval zijn. Ook daar waar de waterstof binnen een (industrieel) cluster geproduceerd, getransporteerd en gebruikt gaat worden, waarbij in de brief de prioriteit ligt, zal de markt gewoon zijn werk kunnen gaan doen.)

Ad 2. Kostenreductie en opschaling groene stroom
Door internationale opschaling (van enkele MW naar GW) van electrolysers kan in 2030 een kostenreductie van groene waterstof van 50-60 procent aan de orde zijn. Hiertoe is veel innovatie nodig, onder andere naar goedkopere materialen voor elektroden en membranen. In het klimaatakkoord staan de doelen, te weten 500 MW geïnstalleerd vermogen in 2025 en 3-4 GW in 2030.
Hierbij zal nog wel steeds sprake zijn van een aanzienlijke onrendabele top, waar verder in brief aandacht voor is.
Een eerste mogelijkheid om de opschaling te faciliteren is een nieuwe faciliteit voor de fase van uitrol, die zit tussen innovatieve pilot en exploitatie. Momenteel wordt toegepast onderzoek met de regeling Missiegedreven Onderzoek Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) ondersteund, demonstratie met de regeling Demonstratie Energie en Klimaatinnovatieve regeling (DEI+) en exploitatie met de regeling Subsidie Duurzame Energie (SDE++). De nieuwe faciliteit richt zich, zoals gezegd op de fase van uitrol en opschaling van waterstofproductie en zal gefinancierd worden uit de bestaande klimaatenveloppemiddelen.
In de SDE++, een regeling die gericht is op de fase uitrol en exploitatie, wordt dit jaar voor het eerst de productie van waterstof door elektrolyse meegenomen. Het betreft nog een dure optie, maar toch stelt de minister de SDE++ open hiervoor. Ook de productie van blauwe waterstof met CCS kan meedingen voor ondersteuning onder de SDE++.

(Persoonlijke noot: de vraag is waarom de minister niet de eerste jaren meer geld alloceert naar de opschaling en de elektrolyse, die nog duur zijn en later, als de productie kosteneffectiever is, de SDE++ hiervoor gaat open stellen. Met de opname van blauwe waterstof in de SDE++ geeft de minister wederom het signaal af dat deze de komende jaren zeker nog nodig is om aan de vraag naar waterstof te kunnen voldoen.)

Het kabinet kijkt naar opschaling door koppeling met de ontwikkeling van wind op zee. De elektrolyse kan dan plaats vinden op het land (de elektriciteit uit de wind komt dan met stroomkabels aan land) of op zee (de geproduceerde waterstof komt dan met een pijpleidingen aan land). Hij wil dit gaan doen via tenders. Ook in internationaal verband wordt hier in het kader van Noth Sea Energy Cooperation aan gewerkt.

Een mogelijkheid om de vraag naar groene waterstof te vergroten is door een bijmengverplichting met gas. Geringe bijmenging van 2 procent is met zeer weinig aanpassingen al mogelijk en 10-20 procent met wat meer aanpassingen. Hiermee worden de mogelijkheden van decentrale productie, daar waar het elektriciteitsnet onvoldoende capaciteit heeft, vergroot. Er zal in samenwerking met Gasunie, regionale netbeheerders en gebruikers gaan worden gekeken naar technische, praktische, regulatorische, veiligheids- en prijsaspecten.

Ad 3. Verduurzaming eindgebruik
Er zijn verschillende groepen eindgebruikers die met groene waterstof kunnen verduurzamen, te weten havens en industrieclusters, transport, gebouwde omgeving, elektriciteitssector en de agro-sector. Met een breeds scala aan beleidsinstrumenten, waaronder de Richtlijn Hernieuwbare Energie kan de overheid initiatieven ondersteunen en marktontwikkelingen bij deze groepen prikkelen. Hier ligt een sterke koppeling met regionaal beleid.
Bij havens en industrieclusters is waterstof de oplossing voor een klimaatneutrale industrie in 2050. En dan vooral voor de chemische industrie waar ong. 35 procent van de gasconsumptie heen gaat. Het zal tot 2030 vooral om lokale initiatieven gaan, waaronder pilot en demo projecten bij alle regionale industriële clusters. De reeds genoemde DEI+ regeling kan deze (financieel) ondersteunen. De minister noemt specifiek het Porthos en H-vision project, beide betreffen blauwe waterstof in de Rotterdamse haven, maar banen wel een weg voor groene waterstof.
Ook in de haven van Amsterdam, in cluster Zeeland/Vlaanderen en in Noord-Nederland is men doende met waterstof en het ligt in de bedoeling clusters te gaan verbinden. Ook in dit stuk van de brief vallen de termen opschaling en infrastructuur (waterstof)netwerk verschillende malen. In de Industriebrief 2050 later dit jaar meer hierover.
Bij transport gaat het om auto’s, zware voertuigen, scheepvaart en luchtvaart, en dan om de voertuigen zelf en de tankfaciliteiten. De luchtvaart is hierbij de meest uitdagende en hier maakt Nederland zich hard voor een Europese bijmengverplichting van synthetische brandstoffen. Van 14 procent in 2030 tot 100 procent in 2050. Ook hier ziet de minister blauwe waterstof op de korte termijn als opstap naar groene op de (middel)lange termijn. En voor het Rijk een stimulerende rol (persoonlijke noot: hier dus geen regierol). Gekeken zal gaan worden hoe de Europese Renewable Energy Directive (RED) II, die in de maak is, de inzet van waterstof in de mobiliteitssector kan stimuleren.
De Europese Commissie is hier ook bezig met de uitwerking van voorwaarden om waterstof die wordt bijgemengd als groen en hernieuwbaar te laten kwalificeren.
Waterstof heeft potentie voor grote bijdrage aan de verwarming van de gebouwde omgeving, maar er is eerst onderzoek nodig van TNO naar toepasbaarheid, veiligheid, beschikbaarheid, duurzaamheid en betaalbaarheid.
De verwachting is dat er pas na 2030 voldoende volume en een betaalbare prijs zullen zijn. En voor alsnog ziet de minister daarna de toepassing van waterstof in wijken die op andere wijze moeilijk te verduurzamen zijn. Waterstof zal wel alvast worden meegenomen in Leidraad voor gemeenten voor verduurzaming en aardgasvrij maken van wijken. En er zal blijven worden gewerkt aan pilots om kennis op te doen.

(Persoonlijke noot: in een recent rapport van Stedin (februari 2020) over waterstof in de gebouwde omgeving wordt bevestigd dat opschaling aldaar pas na 2030 aan de orde zal zijn (waterstof is nog te schaars en te duur). De vraag is dan ook hoe zinvol het is waterstof mee te nemen in de leidraad, want zowel volumes als prijzen zijn nog zeer onzeker, dus vergelijken en inplannen dus bijna niet mogelijk.)

In de elektriciteitssector wordt gekeken naar omschakeling van gascentrales naar waterstof. Ook wordt er op decentraal niveau gekeken naar combinatie van lokale opwek met productie, opslag en gebruik van waterstof, waarmee congestieproblemen kunnen worden voorkomen of opgelost. In de agro-sector liggen kansen voor opwek (wind en zon) en gebruik (landbouwmachines, tractoren en vrachtwagens) van waterstof. In samenwerking met regionale overheden zal worden ingezet op kleinschalige pilots en demo’s.

(Persoonlijke noot: het is te zien dat bij elektriciteit en agro de plannen en initiatieven vager en minder concreet worden. Daar is niets mis mee, voorlopig is er toch nog (lang) niet voldoende groene waterstof om alles te kunnen gaan doen.)

Ad 4. Ondersteunend en flankerend beleid
De Nederlandse aanpak is gericht op een internationale strategie, met als zwaartepunt Europa, echter, ook mondiale initiatieven. Nederland volgt in dit kader vijf sporen, rijp en groen en gebaseerd op direct contact, overleg, fora, bilaterale samenwerking, programma’s en projecten met tal van (Europese) landen. Het betreft beleid gericht op import (van groene stroom), export (van kennis en kunde) en op de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsplaats voor bedrijven in de waterstofketen.

(Persoonlijke noot: de internationale samenwerking kon wel eens een deuk gaan oplopen in en na de Covid-19 tijd, wat te maken heeft met het teruggeworpen zijn op eigen land en aan het hoofd hebben van andere zaken in b.v. Zuid-Europa. Wellicht moet Nederland zich komende tijden vooral gaan richten op meer gelijkgestemde landen in Noord-Europa en later weer meer op andere (Zuid-Europese) landen.)

Ook de regionale aanpak zoals in Noord-Nederland is van groot belang voor het faciliteren van lokale kennis en infrastructuur met betrokkenheid van lokale overheden, organisaties en burgers. De samenwerking binnen, met en tussen regio’s zal onderdeel zijn van het nationale waterstofprogramma.
Als laatste noemt de minister het belang van onderzoek (fundamenteel en toegepast) en innovatie door universiteiten, kennisinstellingen en bedrijven rond productie, transport en opslag van waterstof. Zowel in nationaal als in internationaal verband. Met Europese programma’s, zoals Horizon 2020. De minister noemt hier ook de Meerjarige Programmatische aanpak voor Waterstof uit januari 2020. Met name ingezet op industriële productie & toepassing en de koppeling met wind op zee.

Tijdslijn & programma
De komende periode zal gewerkt (blijven) worden aan wet- en regelgeving, de inzet van het bestaande gasnet, ordening van de keten, een systeem van garanties van oorsprong en productie installaties. Waarmee de basisvoorwaarden voor groei worden gelegd in de periode tot 2025. In de komende anderhalf jaar zal, zoals afgesproken in het Klimaatakkoord gekomen moeten worden tot het reeds genoemde nationaal waterstofprogramma met een adaptief karakter en een fasering tot 2030. Dit in samenwerking met de verschillende stakeholders.

Kortom: grote ambities, veel te doen (van fundamenteel onderzoek tot productie), in de hele keten (opwek, productie, transport, opslag, en distributie), opschaling van elektrolyse, met koppeling met wind en zonne-energie (groene waterstof) gericht op volumes en kostenreductie, ook opschaling van waterstof uit gas met CCS (blauwe waterstof), hierbij focus op de (chemische) industrie, en key bij dit alles is samenwerking (lokaal, regionaal, (inter)nationaal). Het wachten is nu op de concreetheid van het nationaal waterstofprogramma, en de uitwerking van de regierol van het kabinet in deze.

Arie Willem Rozendaal
a.rozendaal@catenainvestments.com

De schrijver heeft de brief van de minister aan de 2e Kamer zo goed en compleet mogelijk verwoord en samengevat, maar kan niet aansprakelijk worden gesteld voor omissies, foute interpretaties en hiaten.

Menu